Uitspraak
mr. drs. I. Heijselaarte Amsterdam,
mr. J.B. Streefkerkte Almere.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat de omvang van de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn minderjarige zoon en de vrouw centraal. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter waarin haar vordering tot het huren van woonruimte door de man werd afgewezen en een voorlopige onderhoudsbijdrage van €175 werd vastgesteld.
Het hof heeft vastgesteld dat er geen overeenkomst is gesloten die de man verplicht tot het huren van woonruimte voor de vrouw en de minderjarige. De aangevoerde WhatsApp-berichten en arbeidsovereenkomst bieden onvoldoende grond voor een dergelijke verplichting. De man heeft betwist dat hij woonruimte zou regelen en heeft een andere lezing gegeven over de afspraken rondom de komst van de vrouw en het kind naar Nederland.
Ten aanzien van de onderhoudsbijdrage is het hof van oordeel dat onvoldoende gegevens zijn overgelegd om de behoefte van de minderjarige en de draagkracht van de man vast te stellen. De voorlopige bijdrage van €175 per maand is daarom terecht vastgesteld. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de man niet verplicht is woonruimte te huren en bevestigt een voorlopige onderhoudsbijdrage van €175 per maand.