Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte werd veroordeeld voor twee winkeldiefstallen. De feiten betroffen het in relatief korte tijd wegnemen van levensmiddelen en goederen met aanzienlijke waarde uit verschillende supermarkten.
De rechtbank had een gevangenisstraf van één week en een taakstraf van 40 uren opgelegd, subsidiair 20 dagen hechtenis. Het hof vernietigde het vonnis ten aanzien van de straf en legde een gevangenisstraf van 14 dagen op, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Hierbij werd rekening gehouden met de ernst van de feiten, de recidive van verdachte en diens positieve ontwikkelingen zoals abstinentie en stabiele leefomstandigheden.
Het hof benadrukte dat diefstal een ernstig feit is dat niet alleen financiële schade veroorzaakt maar ook hinder en overlast voor de gedupeerden. Ondanks dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend zou zijn, werd deze geheel voorwaardelijk opgelegd om de positieve levensontwikkeling van verdachte niet te frustreren. Het vonnis werd voor het overige bevestigd.