ECLI:NL:GHAMS:2019:1331

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 april 2019
Publicatiedatum
18 april 2019
Zaaknummer
23-002069-18
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bedreiging en belediging via Facebook wegens onvoldoende bewijs

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en verdachte vrijgesproken van bedreiging en belediging via Facebook gericht aan een anti-Zwarte Piet activist.

De tenlastelegging betrof het plaatsen van dreigende en beledigende berichten via een Facebookaccount op naam van verdachte in de periode van januari 2013 tot november 2015. Verdachte ontkende de berichten te hebben geplaatst en stelde dat zijn account mogelijk was gehackt.

Het hof constateerde dat er geen technisch onderzoek was verricht op de gegevensdragers van verdachte of slachtoffer om de herkomst van de berichten vast te stellen. Hierdoor kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte de berichten had verzonden. Ook was de exacte datum van plaatsing onduidelijk.

Op grond van deze onzekerheden achtte het hof het bewijs onvoldoende en sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door verdachte te vrijspreken.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van bedreiging en belediging via Facebook wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002069-18
Datum uitspraak: 18 april 2019
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-659180-16 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
4 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 november 2015 te Breda en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (middels zijn facebookaccount) een bericht op facebook geplaatst met de inhoud: "Wat jou betreft jij staat op de dodenlijst jij gaat eraan kanker zwarte", in elk geval een of meer woord(en) van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 november 2015 te Breda en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] in het openbaar en/of door een toegezonden of aangeboden geschrift heeft beledigd door (middels zijn facebookaccount) een bericht op facebook te plaatsen met de inhoud: "Vuile stink nikker pas jij je maar godverdomme aan jullie willen alles naar de kloten maken wat jullie niet bevalt in afrika suriname en alle andere landen buiten europa kostsen ze over jullie en verklaren jullie voor idioot" en/of "... kanker zwarte", in elk geval een of meer woord(en) van gelijke beledigende aard en/of strekking).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vrijspraak feiten 1 en 2

De raadsman heeft verzocht om de verdachte vrij te spreken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde
– zakelijk weergegeven – op de grond dat het bericht waarin de in feit 1 en 2 aangeduide passages voorkomen niet door de verdachte is verstuurd, hij niet achter het Facebook-account zit van waaruit het bericht is verstuurd en de oorsprong van het verstuurde bericht niet is onderzocht. Daarbij komt dat de datum waarop de berichten zijn geplaatst niet duidelijk is geworden.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het dossier blijkt dat het bericht met de onder feit 1 en feit 2 bedoelde uitingen via Facebook Messenger is verstuurd onder de naam [verdachte]. Hoewel de verdachte heeft bevestigd dat hij een account heeft onder deze naam, heeft hij steeds ontkend dit bericht te hebben verstuurd. Hij heeft de mogelijkheid geopperd te zijn “gehackt”.
Het hof stelt vast dat noch de computer van het slachtoffer, noch de telefoon, tablet of andere gegevensdragers van de verdachte zijn onderzocht. Nu dergelijk technisch onderzoek naar de oorsprong van het betreffende bericht ontbreekt, evenmin is onderzocht op welke wijze, wanneer of door wie het is verzonden en dit ook overigens niet duidelijk is geworden, kan naar het oordeel van het hof niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte dit bericht heeft verzonden. De omstandigheid dat het bericht is verstuurd onder zijn naam is daarvoor in het onderhavige geval onvoldoende. Reeds op deze grond acht het hof het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.
Het hof voegt aan het voorgaande nog toe dat evenmin met zekerheid kan worden vastgesteld dat het bericht is geplaatst in de tenlastegelegde periode.
Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte vrijspreken van hetgeen hem onder 1 en 2 is ten laste gelegd.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. F.M.D. Aardema en mr. B. van der Werf, in tegenwoordigheid van
S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
18 april 2019.
mr. B. van der Werf is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.