AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep winkeldiefstal met niet-ontvankelijkheid OM in tenuitvoerlegging
Op 30 april 2018 heeft verdachte te Amsterdam meerdere verpakkingen haringfilet met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weggenomen uit een winkel. Het hof acht dit wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte vrij van overige tenlasteleggingen.
De politierechter veroordeelde verdachte tot twee weken gevangenisstraf, welke straf het hof bekrachtigt gelet op de ernst van het feit en eerdere veroordelingen van verdachte voor diefstal. De verdachte heeft deze straf reeds in voorlopige hechtenis doorgebracht.
Het openbaar ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke gevangenisstraffen, omdat de volledige tenuitvoerlegging daarvan reeds bij een ander vonnis was gelast. Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht conform bovenstaande.
De straf is opgelegd op grond van artikel 310 vanPro het Wetboek van Strafrecht. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht op de opgelegde straf.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 18 april 2019, waarbij mr. B. van der Werf niet kon medeondertekenen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf voor winkeldiefstal; OM is niet-ontvankelijk verklaard in vorderingen tot tenuitvoerlegging.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001781-18
datum uitspraak: 18 april 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-701706-18, 13-011974-18 (TUL) en 13-195495-17 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 april 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere verpakkingen haringfilet, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewijsconstructie en andere beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging komt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 30 april 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere verpakkingen haringfilet toebehorende aan [winkel].
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op: diefstal.
Strafbaarheid van de verdachte
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van de straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek overeenkomstig artikel 27 vanPro het Wetboek van Strafrecht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een winkeldiefstal. Dit is een ergerlijk feit dat voor de gedupeerden, naast schade, ook overlast en hinder teweegbrengt.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 maart 2019 is hij eerder verschillende keren onherroepelijk veroordeeld ter zake van het plegen van diefstal, ook tot vrijheidsbenemende straffen.
Gelet op de ernst van het feit en het voorgaande kan niet met een andere of lagere sanctie worden volstaan dan een vrijheidsbenemende straf van twee weken, die de verdachte overigens al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 310 vanPro het Wetboek van Strafrecht.
Dit wettelijk voorschrift wordt toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Het hof zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken (parketnummer 13-011974-18) en de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van een week (parketnummer 13-195495-17), nu de volledige tenuitvoerlegging van deze straffen al bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2019 is gelast. Dit vonnis is op 8 februari 2019 onherroepelijk geworden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 2 (twee) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijkin de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13-011974-18.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijkin de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13-195495-17.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. C.N. Dalebout en mr. B. van der Werf, in tegenwoordigheid van S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 april 2019.
mr. B. van der Werf is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.