De verdachte werd primair ten laste gelegd dat hij op 4 februari 2017 te Den Helder een personenauto bestuurde onder invloed van alcohol met een ademalcoholgehalte van 585 microgram per liter, zonder rijbewijs. Subsidiair werd hem ten laste gelegd dat hij reed met een alcoholgehalte van 585 microgram per liter, hoger dan de wettelijke norm.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van de primaire tenlastelegging wegens onvoldoende bewijs. Het subsidiair ten laste gelegde werd echter wettig en overtuigend bewezen verklaard. De verdachte werd strafbaar geacht voor deze overtreding van de Wegenverkeerswet 1994.
Hoewel de politierechter een voorwaardelijke gevangenisstraf, geldboete en rijontzegging oplegde, besloot het hof geen straf of maatregel op te leggen vanwege de lopende overlevering van de verdachte aan Polen voor de uitvoering van een vrijheidsstraf. Wel werd de in beslag genomen personenauto verbeurd verklaard.
De beslissing is gebaseerd op artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, waarmee het hof beoogt de overlevering niet te belemmeren. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 27 maart 2019.