ECLI:NL:GHAMS:2019:1422

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2019
Publicatiedatum
24 april 2019
Zaaknummer
200.241.962/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beperkte omgangsregeling grootmoeder met minderjarige in pleeggezin

De grootmoeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam die een beperkte omgangsregeling met haar kleinkind, de minderjarige, heeft vastgesteld. De minderjarige verblijft sinds 2017 in een pleeggezin en de ouders zijn het gezag ontnomen. De grootmoeder wenst een uitgebreide omgangsregeling, waaronder elk weekend omgang, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) de huidige regeling van één uur per acht weken wil handhaven vanwege zorgen over de veiligheid en het welzijn van het kind.

De grootmoeder stelt dat er een sterke gehechtheidsrelatie bestaat en dat zij pedagogisch bekwaam is, ondersteund door verklaringen van een psychiater en systeemtherapeut. Zij verzet zich tegen de begeleiding door de GI vanwege een slechte verstandhouding. De GI benadrukt dat de grootmoeder zich niet aan afspraken houdt, de pleegzorgplaatsing niet accepteert en de omgang spanningen veroorzaakt die het welzijn van de minderjarige schaden.

Het hof overweegt dat het perspectief van de minderjarige bij het pleeggezin ligt en dat de grootmoeder moeite heeft met de nieuwe situatie. De omgangsmomenten verlopen gespannen door de slechte relatie tussen de grootmoeder, de GI en de pleegouders. Dit uit zich in gedragsproblemen bij de minderjarige. Het hof oordeelt dat uitbreiding van de omgang pas mogelijk is als de grootmoeder de pleegzorgplaatsing accepteert, de samenwerking verbetert en zij zich aan afspraken houdt. De huidige beperkte omgangsregeling wordt daarom bekrachtigd.

Uitkomst: De beperkte omgangsregeling van één uur per acht weken tussen grootmoeder en minderjarige wordt bekrachtigd en uitbreiding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.241.962/01
Zaaknummer rechtbank: C/13/643885 / FA RK 18-1166
Beschikking van de meervoudige kamer van 23 april 2019 inzake
[de grootmoeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de grootmoeder,
advocaat: mr. L.H.E.M. Berendse-de Gruijl te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:
De raad voor de kinderbescherming Amsterdam
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden zijn verder aangemerkt:
  • [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] );
  • De pleegouders van [de minderjarige] (hierna: de pleegouders).
Als informanten zijn aangemerkt:
  • [de moeder] , de moeder van [de minderjarige] (verder te noemen: de moeder);
  • [de vader] , de vader van [de minderjarige] (verder te noemen: de vader).
In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie: Amsterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De grootmoeder is op 29 juni 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 juni 2018.
2.2
De GI heeft op 30 juli 2018 een verweerschrift ingediend.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 28 februari 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de grootmoeder, bijgestaan door een kantoorgenoot van haar advocaat, mr. R.W. de Gruijl;
- namens de GI: de gezinsmanager;
- de vader;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw F. Huizinga.

3.De feiten

3.1
Uit de - inmiddels verbroken relatie - van de moeder en de vader is [in] 2012 [de minderjarige] geboren. Voorts is uit hun relatie geboren [broertje van de minderjarige] , geboren [in] 2015. De vader heeft [de minderjarige] erkend.
3.2
[de minderjarige] is na haar geboorte onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Van februari 2013 tot 6 juli 2017 verbleef zij bij de grootmoeder en vervolgens is zij in een perspectief biedend pleeggezin geplaatst waar zij thans verblijft. Bij beschikking van 6 juli 2017 van de rechtbank Noord-Nederland zijn de ouders in de uitoefening van het gezag geschorst voor de duur van drie maanden en is de GI gelijktijdig belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] . Het gezag van de ouders over [de minderjarige] is bij beschikking van 25 oktober 2017 van voormelde rechtbank beëindigd, waarbij de GI is belast met de voogdij over [de minderjarige] . Sinds 23 mei 2018 verblijft [de minderjarige] in het pleeggezin van haar broertje.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de grootmoeder minimaal één keer per acht weken gedurende één uur begeleide omgang heeft met [de minderjarige] .
4.2
De grootmoeder verzoekt het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat zij en [de minderjarige] ieder weekend vanaf vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 17:00 uur omgang hebben met elkaar, dan wel een zodanige omgangsregeling vast te stellen als in het belang van [de minderjarige] wenselijk is en die in ieder geval veel uitgebreider is dan de omgangsregeling zoals vastgesteld in de bestreden beschikking.
4.3
De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Niet in geschil is dat de grootmoeder en [de minderjarige] recht hebben op omgang met elkaar. Aan de orde is de vraag of de omgangsregeling moet worden verruimd en of dit in het belang van [de minderjarige] wenselijk is.
5.2
De rechter stelt ingevolge artikel 1:377a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
5.3
De grootmoeder betoogt in haar beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, dat de omgangsregeling tussen haar en [de minderjarige] moet worden uitgebreid. Zij voert daartoe onder meer het volgende aan. [de minderjarige] heeft jarenlang bij de grootmoeder gewoond en is door haar verzorgd. Er is sprake van een gehechtheidsrelatie tussen de grootmoeder en [de minderjarige] en ze missen elkaar. Uitbreiding is nodig om de goede band tussen de grootmoeder en [de minderjarige] in stand te houden. In tegenstelling tot wat de GI meent, beschikt de grootmoeder wel over pedagogische kwaliteiten en staat haar psychische gesteldheid omgang met [de minderjarige] niet in de weg. Zij verwijst daartoe naar de overgelegde verklaring van W. de Jong, psychiater, en E. van Gelderen, syteemtherapeut, van 18 september 2017. De grootmoeder ziet niet in waarom de omgang door de GI begeleid zou moeten worden, te meer nu zij een slechte verstandhouding met elkaar hebben. Dit leidt tot onrust bij alle partijen, en zeker bij [de minderjarige] . De grootmoeder staat open voor een programma vanuit Accare. Ook verder zijn er geen contra-indicaties voor uitbreiding van de omgang.
5.4
De GI erkent in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij omgang heeft met haar grootmoeder. De door de grootmoeder voorgestelde omgangsregeling met [de minderjarige] van één weekend per maand is echter thans niet haalbaar. Het is wel iets waar in de toekomst naar gewerkt zou kunnen worden. Van belang is daarbij dat de grootmoeder de pleegzorgplaatsing gaat accepteren en daarin begeleid wordt door Accare. Deze hulp heeft de grootmoeder echter op 12 juli 2018 per e-mail stopgezet. De huidige (beperkte) omgangsregeling, van een uur in de acht weken, is tot stand gekomen omdat de grootmoeder zich niet aan de gemaakte afspraken houdt, zich vijandig opstelt naar de pleegouders en de hulpverlening, [de minderjarige] in haar eigen emoties betrekt en niet accepteert dat de vader geen onderdeel uitmaakt van de omgangsregeling. Begeleiding van de omgang op het terrein van de GI acht de GI noodzakelijk omdat de grootmoeder zich in het verleden niet aan de voorgeschreven veiligheidsafspraken hield. Bekeken moet eerst worden hoe de huidige omgang met de grootmoeder loopt voordat er over uitbreiding van de omgang gesproken kan worden. Ook dienen de wensen van [de minderjarige] daarin betrokken te worden. Rekening moet worden gehouden met het feit dat de omgang veel onrust oplevert voor [de minderjarige] , haar perspectief in het pleeggezin ligt en zij ook een omgangsregeling met haar moeder heeft, aldus de GI.
5.5
De raad heeft ter zitting geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad is van mening dat indien de grootmoeder uitbreiding van de omgangsregeling wenst, zij de plaatsing van [de minderjarige] in een pleegzorg gezin moet accepteren. Zij zal zich daarbij over het feit heen moeten zetten dat [de minderjarige] ook deze ouders ‘papa en mama’ noemt. Duidelijk is dat de GI wel de intentie heeft om te kijken wat haalbaar is in het kader van omgang. Echter, zolang de grootmoeder het gesprek met de GI niet aangaat en geen hulp accepteert om de pleegzorgplaatsing een plek te geven, kan geen uitbreiding van de omgang plaatsvinden. Van belang is dat de vader niet wordt betrokken bij de omgang tussen [de minderjarige] en haar grootmoeder.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat het perspectief van [de minderjarige] bij het pleeggezin ligt. Duidelijk is dat het de grootmoeder zwaar valt dat te accepteren. Zo is ter zitting gebleken dat de grootmoeder er grote moeite mee heeft indien [de minderjarige] haar pleegouders ‘papa en mama’
noemt en dit dan ook tegen [de minderjarige] zegt. Bij de omgangsmomenten sluit de grootmoeder niet aan bij de behoeftes van [de minderjarige] en zij houdt zich niet aan de met de GI gemaakte afspraken, bijvoorbeeld over de betrokkenheid van de vader bij de omgang. Voldoende aannemelijk is dat de samenwerking met de GI moeizaam verloopt en de verstandhouding van de grootmoeder met de GI en met de pleegouders slecht is, waardoor de omgangsmomenten spanningsvol verlopen. Dat dit belastend is voor [de minderjarige] , uit zich in het feit dat zij rond de omgangsmomenten soms incontinent en stil op school is. De GI is met de grootmoeder in gesprek en sluit een uitbreiding van de omgang niet uit. Echter, zolang er geen verandering komt in de houding van de grootmoeder jegens de GI, de hulpverlening (zoals van Accare) en de pleegouders, en zij de plaatsing in het pleeggezin niet accepteert, dient de omgang begeleid plaats te vinden en is uitbreiding van de omgang in het belang van [de minderjarige] niet mogelijk. De door de grootmoeder gewenste uitbreiding van de omgang kan pas aan de orde zijn als zij met hulp de pleegplaatsing van [de minderjarige] heeft geaccepteerd, haar verstandhouding met de pleegouders en samenwerking met de GI is verbeterd en zij zich aan de gemaakte afspraken houdt, onder meer wat betreft het niet betrekken van de vader bij de omgang. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op dit moment de omgangsregeling zoals deze is bepaald in de bestreden beschikking het beste aansluit bij de mogelijkheden van [de minderjarige] en van haar grootmoeder. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.7
Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof,
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. T.A.M. Tijhuis, J. Jonkers en J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van Tol als griffier en is op 23 april 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.