ECLI:NL:GHAMS:2019:1482
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis en herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling ondanks betwisting betekening
De zaak betreft hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarbij de verdachte werd veroordeeld en een voorwaardelijke invrijheidsstelling werd opgelegd. De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard voor de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, omdat het besluit niet aan de verdachte was betekend en hij niet bekend was met de voorwaarden.
Het hof overwoog dat op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende straffen en voorwaardelijke sancties (WETVVS) de Nederlandse regels van toepassing zijn op de voorwaardelijke invrijheidsstelling. De verdachte was op 19 mei 2016 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Volgens het hof is geen aparte betekening vereist en was de verdachte feitelijk op de hoogte, mede door een akte van uitreiking en een brief van de minister.
Het hof verklaarde het openbaar ministerie ontvankelijk en wees de vordering tot herroeping toe omdat de verdachte zich tijdens de proeftijd schuldig had gemaakt aan een nieuw strafbaar feit. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het onvolledige dossier leidden niet tot matiging van de herroeping. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank met aangepaste overwegingen over de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.
Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis en wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toe.