ECLI:NL:GHAMS:2019:1624

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 mei 2019
Publicatiedatum
14 mei 2019
Zaaknummer
23-004229-18
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 36f SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belediging en bespugen van politieambtenaren tijdens rechtmatige bediening

Op 13 oktober 2018 heeft de verdachte te Amsterdam politieambtenaren beledigd met grove woorden en een van hen bespuugd tijdens diens rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De politierechter veroordeelde de verdachte tot een geldboete van €400, subsidiair acht dagen hechtenis. In hoger beroep werd dit vonnis vernietigd en opnieuw recht gesproken.

Het gerechtshof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de politieambtenaren heeft beledigd met woorden als "fuck you" en hen heeft bespuugd. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden. Het hof kwalificeerde het bewezen feit als eenvoudige belediging jegens ambtenaren tijdens hun bediening, meermalen gepleegd.

Gezien de ernst van het feit, het respectloze gedrag en de eerdere veroordelingen van de verdachte, legde het hof een geldboete van €200 op, subsidiair vier dagen hechtenis. Tevens werd een immateriële schadevergoeding van €100 toegewezen aan de benadeelde partij, de politiebrigadier, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De verdachte werd verplicht tot betaling van deze bedragen, met een vervangende hechtenis bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €200 en betaling van €100 immateriële schadevergoeding aan de politiebrigadier, met vervangende hechtenis bij niet-betaling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-004229-18
Datum uitspraak: 14 mei 2019
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-202027-18 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag] 1976,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
30 april 2019.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 13 oktober 2018 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam 1], brigadier van politie Eenheid Amsterdam en/of [naam 2], aspirant van politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "Fuck you", "fuck off" en/of "shut upp you whore, I fucking hate you", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of hen door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [naam 1] te bespugen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 13 oktober 2018 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam 1], brigadier van politie Eenheid Amsterdam en [naam 2], aspirant van politie Eenheid Amsterdam gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "fuck you", "fuck off" en/of "shut up you whore, I fucking hate you", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en [naam 1] door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [naam 1] te bespugen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00 subsidiair acht (8) dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 300,00 subsidiair zes (6) dagen hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen van politieambtenaren. Zij heeft deze ambtenaren in hun eer aangetast en hun gezag als ambtsdrager ondermijnd. Hiermee heeft de verdachte blijk gegeven van veronachtzaming van in de samenleving geldende omgangsvormen, met name wat betreft het respecteren van politieambtenaren die hun werk moeten kunnen verrichten zonder dat zij daarbij worden beledigd. Het hof rekent dit de verdachte aan. Daarnaast heeft de verdachte in de voorgeleidingsruimte bij het sluiten van de deur politieambtenaar [naam 1] op zijn benen en vest gespuugd. Met name het bespugen kan als buitengewoon respectloos en onsmakelijk worden aangemerkt.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 april 2019 is zij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van misdrijven.
Het hof heeft gelet op de straffen die bij eenvoudige belediging door rechters plegen te worden opgelegd. Gelet op het bovenstaande acht het hof in het geval van de verdachte een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [naam 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 100,00 voor immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte in zijn eer is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De verdachte heeft zich bereid verklaard tot betaling van een schadevergoeding aan de benadeelde partij en is tot vergoeding van de geleden schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro naar maatstaven van billijkheid schatten op € 100,00.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
4 (vier) dagen hechtenis.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 13 oktober 2018.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 mei 2019.
mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[.......]
.