ECLI:NL:GHAMS:2019:170
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Gezamenlijk ouderlijk gezag en zorgregeling na internationale echtscheiding niet rechtsgeldig beëindigd
Partijen zijn van 2004 tot 2015 gehuwd geweest en hebben drie kinderen die bij de vrouw wonen. De rechtbank in Marokko kende in 2015 eenhoofdig gezag toe aan de vrouw, maar het hof stelt vast dat deze beschikking niet rechtsgeldig is in Nederland omdat de Marokkaanse rechter niet bevoegd was op grond van het HKBV 1996.
Het hof oordeelt dat op grond van het destijds geldende HKBV 1961 en het Nederlandse recht de man van rechtswege gezamenlijk gezag had over de kinderen, en dat dit gezag niet is beëindigd door de Marokkaanse beschikking. De kinderen wonen en verblijven hun hele leven in Nederland, wat hun gewone verblijfplaats is.
Het hof wijst het verzoek van de man toe om gezamenlijk gezag vast te stellen en legt een zorgregeling vast waarbij de kinderen om de week in het weekend bij de vader verblijven en om het jaar zes weken in de zomervakantie. Het verzoek van de man om Arabische lessen in het weekend te verplichten wordt afgewezen omdat dit onder de zorg- en opvoedingstaken valt.
De uitspraak benadrukt dat de ouders de afgelopen periode zelfstandig afspraken hebben kunnen maken en dat er geen contra-indicaties zijn tegen gezamenlijk gezag. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en wordt ingeschreven in het gezagsregister.
Uitkomst: Het hof stelt vast dat de ouders gezamenlijk gezag over de kinderen uitoefenen en legt een zorgregeling vast met omgangsweekenden en zomervakantieverblijven.