ECLI:NL:GHAMS:2019:173
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vergoeding tandartskosten en kosten van huishouding na echtscheidingsverzoek
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en de vrouw verzocht vergoeding van huishoudkosten en tandartskosten. Na indiening van het echtscheidingsverzoek werd zij door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek op grond van artikel 1:84 BW Pro. Het hof oordeelde dat artikel 1:84 BW Pro ook na indiening echtscheidingsverzoek kan worden toegepast en verklaarde de vrouw ontvankelijk.
De vrouw stelde dat de tandartskosten noodzakelijk waren en tot de kosten van de huishouding behoorden, mede vanwege de luxe levensstijl en het ontbreken van eigen inkomsten. De man betwistte dit en stelde dat het ging om cosmetische kosten en dat hij geen afspraak had gemaakt tot betaling.
Het hof overwoog dat niet alle medische kosten automatisch tot de huishoudkosten behoren en dat het uitgavenpatroon van de vrouw onvoldoende concreet was onderbouwd. De tandartskosten werden niet als noodzakelijk erkend en er was geen bindende afspraak over betaling. Daarom wees het hof het verzoek af.
De proceskosten werden gecompenseerd zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak het vonnis uit in het openbaar op 22 januari 2019.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vrouw tot vergoeding van tandartskosten af en compenseert de proceskosten.