ECLI:NL:GHAMS:2019:1865

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2019
Publicatiedatum
13 juni 2019
Zaaknummer
23-002235-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs verduistering in dienstbetrekking

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte vrijgesproken van verduistering in dienstbetrekking. De verdachte werd ervan verdacht een bedrag van 9.403,51 euro te hebben verduisterd terwijl hij junior financieel medewerker was.

Het hof oordeelde dat er onvoldoende zekerheid bestond dat de verdachte de transacties had verricht. Het overzicht van de internethistorie van de computer die verdachte zou hebben gebruikt, toonde geen betalingsopdrachten. Bovendien was het gebruikte wachtwoord op de server voor alle medewerkers toegankelijk, waardoor ook anderen toegang hadden tot de pinpas.

Daarnaast was er geen relatie vastgesteld tussen de verdachte en de ontvanger van het geldbedrag en waren er op het moment van de transacties meerdere medewerkers aanwezig. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat verdachte de dader was. Het hof verklaarde het ten laste gelegde niet bewezen en sprak verdachte vrij.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van verduistering.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002235-18
datum uitspraak: 30 april 2019
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-232499-17 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 4 september 2015 te Amsterdam, althans in Nederland opzettelijk een geldbedrag van (in totaal) 9.403,51 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten junior financieel medewerker, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het de verdachte moet zijn geweest die het betreffende geldbedrag heeft overgemaakt. Uit het door aangever ingebrachte (kennelijke) overzicht van de internethistorie van (het ip-adres van) de computer die door de verdachte de betreffende middag zou zijn gebruikt blijkt niet dat van deze werkplek betalingsopdrachten zijn verstrekt. Nu het gebruikte wachtwoord abusievelijk op de server voor alle medewerkers toegankelijk was, ook andere medewerkers toegang konden hebben tot de benodigde pinpas en niet betwist is dat er ten tijde van het tenlastegelegde meerdere medewerkers aanwezig waren en er geen relatie is vastgesteld tussen de verdachte en de ontvanger van het geldbedrag, leidt dit tot het oordeel dat er onvoldoende grond is voor de conclusie dat de betreffende transacties door de verdachte zijn verricht.
Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.P. Geelhoed, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van C.N. Aalders, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 april 2019.
Mr. M.F.J.M. de Werd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]