Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[Appellant 1] ,
[Appellant 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele procedure vorderen de curatoren in het faillissement van DSB Bank N.V. betaling van een vervroegd opeisbare kredietsom van een kredietnemer die meer dan twee maanden achterstallig was in de betaling. De kredietovereenkomst bevatte een algemene voorwaarde waarin zowel een opeisingsbeding als een beding over verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten was opgenomen.
De kantonrechter wees de vordering af omdat het buitengerechtelijke kostenbeding strijdig werd geacht met artikel 34 van Pro de oude Wet Consumentenkrediet (Wck). Het hof oordeelt echter dat deze strijdigheid slechts leidt tot partiële nietigheid van het kostenbeding en niet tot nietigheid van het opeisingsbeding. Dit laatste is rechtsgeldig en rechtvaardigt de vervroegde opeisbaarheid van de kredietsom.
Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt de kredietnemer tot betaling van het gevorderde bedrag, vermeerderd met contractuele rente. Tevens wordt de kredietnemer veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het arrest is gewezen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.
Uitkomst: Het hof veroordeelt de kredietnemer tot betaling van de vervroegd opeisbare kredietsom met rente en proceskosten en verklaart het buitengerechtelijke kostenbeding nietig.