Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
De betrokkene, geboren in 1939, is vanwege cognitieve stoornissen en een verminderde geestelijke toestand onder curatele gesteld met benoeming van [A] als curator. [X], zus van de betrokkene, is in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking en verzocht primair om instelling van bewind en mentorschap en subsidiair om een andere curator te benoemen.
Tijdens de mondelinge behandeling trok [X] haar primaire verzoek in, zodat het hof alleen het subsidiaire verzoek tot benoeming van een andere curator hoefde te beoordelen. [X] voerde aan dat er gegronde redenen zijn tegen de benoeming van [A], onder andere vanwege het opheffen van haar bankmachtiging zonder overleg, het vervangen van sloten van de woning en het inschakelen van een deurwaarder.
De curator stelde dat hij een goede vertrouwensband met de betrokkene heeft en dat zijn ingrepen noodzakelijk waren ter bescherming van diens belangen. De betrokkene zelf verklaarde vertrouwen te hebben in de curator. Het hof oordeelde dat de gegronde redenen die [X] aanvoerde niet opwegen tegen de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene voor deze curator en bekrachtigde de bestreden beschikking.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de benoeming van [A] tot curator en wijst het hoger beroep van [X] af.