ECLI:NL:GHAMS:2019:210

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 januari 2019
Publicatiedatum
30 januari 2019
Zaaknummer
23-000526-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 404 SvArt. 422 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis diefstal pinpas met matiging strafoplegging

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is de verdachte niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen de vrijspraak van een onderdeel van de tenlastelegging. Het hof bevestigt het vonnis van de politierechter, behalve wat betreft de strafoplegging.

De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur wegens diefstal van een pinpas van zijn (ex-)partner, gepleegd na een ruzie. Het hof acht het feit ernstig vanwege het vertrouwen dat door de verdachte is beschaamd, maar neemt ook de persoonlijke omstandigheden mee.

Daarom vernietigt het hof het vonnis voor wat betreft de straf en legt een taakstraf van 30 uur op, met een voorwaardelijke hechtenis van 15 dagen als vervanging bij niet-nakoming. Het overige van het vonnis blijft ongewijzigd.

Uitkomst: Taakstraf van 30 uur met 15 dagen voorwaardelijke hechtenis opgelegd, vrijspraak voor een onderdeel bevestigd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000526-18
datum uitspraak: 24 januari 2019
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-202923-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman heeft verzocht de taakstraf te matigen nu de verdachte uit eigen beweging heeft verteld dat hij de bankpas onder zich had.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een bankpas van zijn (ex-)partner, nadat hij ruzie met haar had gehad. Het hof neemt aan dat de verdachte deze bankpas uit pesterij van haar heeft weggenomen. Desondanks is het wegnemen van een bankpas een vervelend feit voor het slachtoffer en heeft de verdachte daardoor haar vertrouwen ernstig beschaamd.
Het hof gaat bij de strafoplegging uit van hetgeen staat beschreven in het proces-verbaal op pagina 11 van het dossier waaruit blijkt dat de verdachte de bankpas zelf uit zijn broek heeft gehaald. Het hof ziet in de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden zoals aangevoerd ter terechtzitting, aanleiding om af te wijken van hetgeen door de advocaat-generaal is gevorderd. Voor een geheel voorwaardelijke straf is echter, anders dan bepleit, geen plaats.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. C.N. Dalebout en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van D. de Jong, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 januari 2019.
mr. A.M. van Woensel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]