Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[X],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam bekrachtigd waarin werd geoordeeld dat de overboekingen van in totaal € 25.550,- door [X] aan haar minderjarige kind in de periode april-mei 2014 vernietigd moeten worden op grond van artikel 42 Faillissementswet Pro. De curator stelde dat deze rechtshandeling de schuldeisers benadeelde en dat het faillissement en het tekort daarin voor [X] ten tijde van de overboekingen met redelijke mate van voorzienbaarheid waren te verwachten.
De rechtbank had vastgesteld dat de schuldeisers in het faillissement door de overboekingen zijn benadeeld en dat het faillissement en het tekort met redelijke waarschijnlijkheid voorzienbaar waren. [X] betwistte deze stellingen onvoldoende gemotiveerd, waardoor het hof deze feiten als vaststaand beschouwde. Tevens wees het hof erop dat de vorderingen van de schuldeisers reeds waren toegewezen en dat de financiële situatie van [X] zodanig was dat het faillissement niet als een verrassing kon komen.
De grieven van [X] tegen het oordeel van de rechtbank slagen niet. Het hof oordeelde dat de curator voldoende heeft toegelicht dat de schuldeisers benadeeld zijn en dat het faillissement met een redelijke mate van waarschijnlijkheid voorzienbaar was ten tijde van de overboekingen. De overige grieven werden niet behandeld omdat zij betrekking hadden op subsidiaire vorderingen die niet aan de orde waren. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd en [X] werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de grieven van [X] af, waarbij de vernietiging van de rechtshandeling wordt gehandhaafd.