ECLI:NL:GHAMS:2019:2349

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 april 2019
Publicatiedatum
11 juli 2019
Zaaknummer
23-000339-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder B OpiumwetArt. 36e Wetboek van StrafrechtArt. 416, tweede lid Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid veroordeelde in hoger beroep ontnemingszaak Opiumwet

In deze zaak heeft het openbaar ministerie in eerste aanleg gevorderd dat de veroordeelde wordt verplicht tot betaling van een geldbedrag van € 2.212,50 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde was bij vonnis van de politierechter veroordeeld wegens het opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit de Opiumwet en werd tevens veroordeeld tot betaling van het genoemde bedrag.

De veroordeelde stelde hoger beroep in tegen zowel het strafvonnis als de ontnemingsmaatregel. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 12 april 2019 heeft het hof vastgesteld dat de veroordeelde geen schriftelijke grieven heeft ingediend en ook mondeling geen bezwaren heeft geuit tegen het vonnis. Tevens bleek er geen ander rechtens te respecteren belang aanwezig om de zaak inhoudelijk te onderzoeken.

Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft het hof de veroordeelde daarom niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Dit betekent dat het vonnis van de politierechter in stand blijft en het hoger beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.

Uitkomst: De veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de ontnemingsvordering.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000339-18
datum uitspraak: 12 april 2019
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van
de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 augustus 2017 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer
15-700478-15 tegen de veroordeelde
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 2.212,50.
De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 augustus 2017 veroordeeld ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 25 augustus 2017 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.212,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 april 2019 niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep in de strafzaak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
12 april 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van de veroordeelde in het hoger beroep.

Ontvankelijkheid van de veroordeelde in het hoger beroep

Door of namens de veroordeelde is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in de artikelen 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin
zitting hadden mr. S. Clement, mr. A.M. van Amsterdam en mr. W. Foppen, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof
van 12 april 2019.
Mr. A.M. van Amsterdam is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.