Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2019:2466

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2019
Publicatiedatum
17 juli 2019
Zaaknummer
R 000896 en R 000897-18
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 SvArt. 591a SvArt. 90 SvArt. 141 SrArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vergoeding onrechtmatige inverzekeringstelling en rechtsbijstand

Verzoeker was op 9 augustus 2015 in verzekering gesteld op verdenking van overtreding van artikel 141 Sr Pro en op 11 augustus 2015 weer vrijgelaten. Hij vorderde een schadevergoeding wegens de ondergane inverzekeringstelling, waarbij hij stelde dat hij extra leed had door bijtwonden van een politiehond en klappen met een knuppel. Daarnaast vorderde hij vergoeding van kosten voor rechtsbijstand.

De rechtbank wees het verzoek af omdat zij oordeelde dat de verdenking van openlijke geweldpleging gerechtvaardigd was, mede omdat verzoeker niet weg was gegaan na een politiebevel. Het hof stelde echter vast dat het niet voldoen aan een ambtelijk bevel en het halen van verhaal bij de politie niet automatisch een gerechtvaardigde verdenking opleveren. Ook was er onvoldoende bewijs dat verzoeker een wezenlijke bijdrage aan het geweld had geleverd.

Het hof achtte daarom gronden van billijkheid aanwezig en kende een vergoeding toe van €210 voor de inverzekeringstelling. Voor de kosten van rechtsbijstand kende het hof een vergoeding van €830 toe. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en deed opnieuw recht.

De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 5 maart 2019.

Uitkomst: Het hof kent een vergoeding toe van €210 voor de inverzekeringstelling en €830 voor rechtsbijstand.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummers: 000897-18 (89 Sv) en 000896-18 (591a Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 15-710358-15
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 28 mei 2018 op het verzoekschrift op de voet van de artikelen 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,
mr. Z. Boufadiss, adres: [adres].

1.Inhoud van het verzoekschrift

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding op de voet van artikel 89 Sv Pro tot een bedrag van € 315,00 ter zake van schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer. Dit bedrag is gespecificeerd en onderbouwd als volgt.
Verzoeker is op 9 augustus 2015 in verzekering gesteld. Hij is op 11 augustus 2015 heengezonden. Gelet op de omstandigheden van het geval heeft de advocaat verzocht de toe te kennen schadevergoeding te vermeerderen met de helft. Uit het dossier blijkt immers dat verzoeker meer dan normaal heeft geleden onder zijn detentie, aangezien hij bij zijn aanhouding twee keer werd gebeten door een politiehond in zowel zijn kruis als zijn bovenbeen. Voor deze beten is verzoeker gedurende zijn detentie onvoldoende behandeld. Daarnaast heeft verzoeker ook twee harde klappen op zijn hoofd gekregen met een knuppel.
Het verzoekschrift strekt voorts tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding op de voet van artikel 591a Sv ter zake van kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van het onderhavige verzoek in eerste aanleg ten bedrage van € 550,00 en in hoger beroep vermeerderd met € 280,00.

2.Procesverloop

Het hoger beroep is op 31 mei 2018 ingesteld namens verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 19 februari 2019 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet verschenen.

3.Beoordeling van het hoger beroep

De rechtbank heeft het verzoek op 28 mei 2018 afgewezen.
Het hoger beroep hiervan is tijdig ingesteld.
De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 89 Sv Pro
Appellant is op 9 augustus 2015 in verzekering gesteld op verdenking van – kort gezegd – overtreding van artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Appellant is op 11 augustus 2015 in vrijheid gesteld.
Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De rechtbank heeft overwogen dat de gewezen verdachte (appellant), ongeacht de vrijspraak en de motivering daarvan, de verdenking van openlijke geweldpleging en de erop volgende vrijheidsbeneming aan zichzelf te wijten heeft gehad door niet weg te gaan nadat hij door de politie was gesommeerd zich te verwijderen. Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank beslist dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een vergoeding voor de door verzoeker als gevolg van de vrijheidsbeneming geleden schade.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het niet voldoen aan een ambtelijk gegeven bevel en het ‘halen van verhaal bij de politie’ zonder meer nog geen gerechtvaardigde verdenking van openlijke geweldpleging oplevert. Daarbij heeft het hof tevens acht geslagen op de overweging in het vonnis van de rechtbank dat er onvoldoende steun is voor de vaststelling dat appellant een wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld en dat een persoonsverwisseling redelijkerwijs niet kon worden uitgesloten, gelet op het chaotische verloop van de avond, waarbij een grote menigte betrokken was en de politie meerdere charges heeft uitgevoerd.
Gelet op het voorgaande acht het hof het hoger beroep gegrond.
Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding van
€ 210,00. Voor een verhoging, waar bij de toelichting in raadkamer overigens niet meer uitdrukkelijk om is verzocht, ziet het hof geen grond.
Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 591a Sv
Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding (zoals verzocht) van € 830,00.

4.Beslissing

Het hof:
Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 89 Sv Pro
Verklaart het hoger beroep gegrond.
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Kent op de voet van artikel 89 Sv Pro ten laste van de Staat aan appellant een vergoeding toe van € 210,00 (tweehonderdtien euro).
Wijst het meer of anders verzochte af.
Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 591a Sv
Verklaart het hoger beroep gegrond.
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst het verzochte toe.
Kent op de voet van artikel 591a Sv uit ’s Rijks kas aan verzoeker een vergoeding toe van € 830,00 (achthonderddertig euro).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. S. Clement en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 5 maart 2019.
De voorzitter beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.040,00 op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [naam].
Amsterdam, 5 maart 2019,
mr. M. Iedema, voorzitter.