Op 6 februari 2018 werd verdachte betrapt op het rijden van een personenauto terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De politierechter in de rechtbank Noord-Holland veroordeelde hem hiervoor, waarna verdachte hoger beroep instelde bij het gerechtshof Amsterdam.
Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep gericht was tegen een ander ten laste gelegd feit, vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. Het hof veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf weken, welke voorwaardelijk werd opgelegd met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast werd een taakstraf van zestig uur opgelegd en een hechtenisstraf van dertig dagen, die kan worden vervangen indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht.
Het hof hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en matigde de straf dienovereenkomstig. Verdachte deed ter terechtzitting afstand van het recht om cassatie in te stellen, waardoor de uitspraak definitief werd.