ECLI:NL:GHAMS:2019:268
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens ontbreken van grieven
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2018. De verdachte stelde beroep in, maar diende geen schriftelijke grieven in en gaf ook geen mondelinge bezwaren aan tegen het vonnis. De advocaat-generaal vorderde daarom niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het hoger beroep.
De benadeelde partij handhaafde haar vordering tot schadevergoeding en stelde dat dit een belang vormde voor inhoudelijke behandeling van de zaak. Het hof oordeelde echter dat deze vordering onvoldoende reden was om de strafzaak inhoudelijk te behandelen, mede gelet op het standpunt van de advocaat-generaal dat ook de benadeelde partij niet-ontvankelijk zou worden verklaard in haar vordering.
Het hof concludeerde dat er geen rechtens te respecteren belang was bij onderzoek van de zaak en verklaarde verdachte niet-ontvankelijk op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer op 22 januari 2019.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven.