De zaak betreft een hoger beroep van Asbestverwijdering Ede B.V. (AVE) tegen meerdere stichtingen die bedrijfstakpensioenfondsen en aanverwante fondsen beheren in de bouwnijverheid. AVE betwistte dat zij onder de werkingssfeer van de cao Bouwnijverheid, de cao BTER en het verplichtstellingsbesluit van Bpf Bouw viel, en dat zij premies met terugwerkende kracht verschuldigd was.
De kantonrechter had eerder geoordeeld dat AVE vanaf 17 mei 2007 onder deze verplichtstelling viel en veroordeelde AVE tot het aanleveren van loon- en premiegegevens en betaling van premies. AVE stelde dat zij niet tijdig hoger beroep had ingesteld tegen een tussenvonnis en dat de cao niet rechtsgeldig algemeen verbindend was verklaard.
Het hof oordeelde dat AVE niet-ontvankelijk was voor het deel van het hoger beroep dat gericht was tegen het tussenvonnis omdat het hoger beroep te laat was ingesteld. Voor het overige bekrachtigde het hof de vonnissen, veroordeelde AVE tot betaling van premies over de periode van 15 februari 2008 tot en met 31 december 2017, vermeerderd met wettelijke rente, en wees de vorderingen tot reglementaire kosten af wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijke incassokosten.
Het hof wees ook het beroep van AVE af dat betaling met terugwerkende kracht zou leiden tot ongerechtvaardigde verrijking. De kosten van het principale hoger beroep werden aan AVE opgelegd, terwijl de Fondsen hoofdelijk werden veroordeeld in de kosten van het incidentele hoger beroep.