Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarbij verdachte werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan poging tot zware mishandeling. De feiten betreffen een incident in het centrum van Amsterdam waarbij verdachte een mes aan een medeverdachte gaf die daarmee het slachtoffer in het been stak, resulterend in lichamelijk en psychisch letsel.
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen jeugddetentie. Het hof vernietigde de strafoplegging en legde een taakstraf van 50 uur op, met een subsidiaire hechtenisstraf van 25 dagen. Het hof oordeelde dat het volwassenenstrafrecht van toepassing is, ondanks het advies van de reclassering om adolescentenstrafrecht toe te passen, omdat de verdachte meerderjarig was en onvoldoende indicaties voor een pedagogische benadering aanwezig waren.
Het hof nam mee dat verdachte begeleid woont en fulltime werkt, maar niet openstaat voor begeleiding. Eerdere veroordelingen en adviezen werden meegewogen. De straf werd aangepast met inachtneming van het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De opgelegde taakstraf wordt verminderd met voorarrest volgens de wettelijke maatstaf.
De wettelijke grondslag voor de strafoplegging bestaat uit de artikelen 22c, 22d, 45, 48 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het hof Amsterdam op 23 mei 2019.