ECLI:NL:GHAMS:2019:2813
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis inzake vordering uit geldleningsovereenkomst tussen gewezen partners
In deze zaak vordert appellant betaling van een bedrag van € 251.143,94 op grond van een vermeende geldleningsovereenkomst met geïntimeerde, zijn gewezen partner. De rechtbank wees de vordering af omdat appellant niet kon bewijzen dat sprake was van een geldleningsovereenkomst. In hoger beroep betoogde appellant dat de bewijslast bij geïntimeerde lag en dat bijzondere omstandigheden en redelijkheid en billijkheid een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigden.
Het hof oordeelt dat geïntimeerde de geldleningsovereenkomst gemotiveerd heeft betwist en dat appellant daarom de bewijslast draagt conform artikel 150 Rv Pro. De langdurige relatie tussen partijen en het feit dat appellant geïntimeerde als zaakwaarnemer had aangesteld, vormen geen bijzondere omstandigheden die een afwijkende bewijslastverdeling rechtvaardigen. Ook is geen bewijsvermoeden van een geldlening aanwezig, mede omdat geïntimeerde heeft gesteld dat het bedrag een terugbetaling betrof van eerder voorgeschoten bedragen.
Appellant stelde ook dat er sprake was van een rekening-courantverhouding, maar dit is te laat ingebracht en onvoldoende onderbouwd. Bewijsnood leidt niet tot omkering van de bewijslast omdat deze niet aan geïntimeerde kan worden toegerekend. Het hof wijst de grieven van appellant af, bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering af wegens onvoldoende bewijs.