ECLI:NL:GHAMS:2019:2851
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid dochter executeur voor niet-doorbetaling legitieme porties aan broers en zussen
In deze civiele zaak ging het om de vraag of appellante, als executeur van de nalatenschap van haar overleden vader, onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar broers en zussen door het niet doorbetalen van hun legitieme porties uit de erfrechtprocedure.
De feiten betroffen een complexe erfrechtprocedure waarin de nalatenschap nihil was en schenkingen aan een van de erfgenamen werden ingekort. De rechtbank had appellante veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan geïntimeerden wegens onrechtmatige daad. Appellante voerde onder meer aan dat zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op afstand van recht door geïntimeerden en dat er geen sprake was van een te verdelen nalatenschap.
Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was en Nederlands recht van toepassing, dat er wel degelijk een verdeling had plaatsgevonden in de erfrechtprocedure, en dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat geïntimeerden afstand van hun rechten hadden gedaan. Het hof bevestigde dat appellante onrechtmatig had gehandeld door niet te informeren en niet door te betalen, en dat zij aansprakelijk is voor de schadevergoeding, die wordt gematigd met een deel van de gemaakte kosten. De vorderingen van partijen in hoger beroep werden afgewezen, met uitzondering van de proceskostenveroordelingen.
Uitkomst: Appellante is aansprakelijk voor onrechtmatige daad en veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan geïntimeerden, met matiging voor gemaakte kosten; het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.