ECLI:NL:GHAMS:2019:2857
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over partneralimentatie en samenwoning na echtscheiding
Partijen waren gehuwd sinds 2010 en zijn op 6 december 2018 gescheiden. De man was verplicht partneralimentatie te betalen aan de vrouw. Hij stelt dat de vrouw sinds de scheiding samenwoont met een nieuwe partner als waren zij gehuwd, waardoor de alimentatieplicht eindigt volgens artikel 1:160 BW Pro. De vrouw erkent de relatie maar betwist samenwoning en wederzijdse verzorging.
Het hof beoordeelt dat voor het eindigen van de alimentatieplicht vereist is dat sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard, samenwoning, wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding. Het hof vindt dat de man voldoende heeft onderbouwd dat deze voorwaarden zijn vervuld vanaf 6 december 2018, onder meer door observaties van een recherchebureau en gedragingen zoals gezamenlijk boodschappen doen, kinderen naar school brengen en wederzijdse zorg.
De vrouw wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs over de wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat dit tegenbewijs is geleverd. In incidenteel hoger beroep is de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning aan de orde, maar dit punt blijft voorlopig onbesproken en wordt aangehouden.
Uitkomst: Vrouw wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs over samenwoning en wederzijdse verzorging; verdere beslissing wordt aangehouden.