ECLI:NL:GHAMS:2019:3040

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 augustus 2019
Publicatiedatum
16 augustus 2019
Zaaknummer
000727-19 (rekestnummer) en 23-004692-15 (parketnummer)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing bijzondere voorwaarde en verlenging proeftijd na faillissement onderneming

Verzoeker is bij onherroepelijk arrest veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarde dat hij een bedrag van 182.500 euro aan een stichting moet vergoeden vóór het einde van de proeftijd.

Verzoeker verzocht primair om opheffing van deze bijzondere voorwaarde en subsidiair om verlenging van de proeftijd met 1 of 2 jaren, omdat zijn bedrijf failliet is gegaan en hij momenteel niet aan zijn betalingsverplichting kan voldoen. Hij stelde dat de toekomstperspectieven gunstig zijn door een nieuwe onderneming en vorderingen op derden.

De advocaat-generaal adviseerde afwijzing van het primaire verzoek en toewijzing van het subsidiaire verzoek tot verlenging met 1 jaar. De reclassering adviseerde verlenging met 1 jaar, terwijl de reclasseringswerker ter zitting een verlenging met 2 jaren aanraadde.

Het hof oordeelde dat de wens van verzoeker om van zijn betalingsverplichting te worden ontslagen onvoldoende grond is voor opheffing van de voorwaarde. Ook het subsidiaire verzoek tot verlenging van de proeftijd werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de inning van vorderingen en het genereren van inkomsten uit de nieuwe onderneming. Het hof nam mee dat verzoeker in bijna drie jaar slechts 1.500 euro heeft afbetaald.

Het hof wees het verzoek af en handhaafde de bijzondere voorwaarde en de proeftijd zoals oorspronkelijk opgelegd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing van de bijzondere voorwaarde en verlenging van de proeftijd af.

Uitspraak

beslissing
GERECHTSHOF AMSTERDAM
rekestnummer: 000727-19
parketnummer: 23-004692-15
BESLISSING
op het verzoekschrift krachtens artikel 14f van het Wetboek van Strafrecht van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] [geboortedag] 1959,
adres: [adres],
hierna te noemen: de verzoeker,
bijgestaan door mr. S. Langeweg, advocaat te Koog aan de Zaan, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. J. Veninga.

Inhoud van het verzoekschrift

Het verzoekschrift van 14 juni 2019 richt zich tegen de aan verzoeker bij arrest van
6 september 2016 opgelegde bijzondere voorwaarde om vóór het einde van de proeftijd een bedrag van in totaal 182.500 euro aan de [stichting] te vergoeden.
Verzoeker verzoekt primair de gestelde bijzondere voorwaarde op te heffen en subsidiair de proeftijd met 1 of 2 jaren te verlengen.

Procesverloop

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak onder parketnummer 23-004692-15 en heeft op 1 augustus 2019 de advocaat-generaal, verzoeker, de advocaat van verzoeker en mevrouw [naam], begeleider van verzoeker bij Reclassering Nederland, ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord.
Verzoeker is bij onherroepelijk arrest van 6 september 2016 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, waarbij onder meer als bijzondere voorwaarde is gesteld dat hij een bedrag van in totaal
182.500 euro aan de [stichting] zal vergoeden vóór het einde van de proeftijd.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het primaire verzoek en tot toewijzing van het subsidiaire verzoek, met dien verstande dat de proeftijd met 1 jaar wordt verlengd.

Beoordeling van het verzoek

De advocaat van verzoeker heeft gesteld dat verzoeker ten tijde van het wijzen van het arrest goede financiële vooruitzichten had. Het ging echter steeds slechter met zijn bedrijf, [BV 1], omdat zij haar grootste klant kwijtraakte. In 2018 is het bedrijf failliet gegaan, waardoor verzoeker nu niet in staat is aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De vooruitzichten om in de toekomst aan zijn verplichting te voldoen zijn evenwel gunstig. Zo is verzoeker in december 2018 een nieuwe onderneming gestart en verwacht hij (mede) met de daarmee te genereren inkomsten aan zijn betalingsverplichting te kunnen voldoen. Voorts stelt verzoeker nog gelden te ontvangen uit vorderingen op [..] ad 300.000 euro, op de [bank] ad 90.000 euro en op [BV 2] ad 50.000 euro.
Reclassering Nederland heeft in haar rapport van 26 juni 2019 geadviseerd de proeftijd van verzoeker met 1 jaar te verlengen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft mevrouw [naam], reclasseringswerker, geadviseerd deze proeftijd met 2 jaren te verlengen.
De advocaat van verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat een proeftijdverlenging met 2 jaren de voorkeur heeft, omdat dit ruimte biedt voor tegenslag en verzoeker zo in de gelegenheid wordt gesteld tijdig aan zijn betalingsverplichting te voldoen.
Het hof is van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen.
De enkele wens van verzoeker om van zijn betalingsverplichting te worden ontslagen omdat hij daaraan op dit moment niet kan voldoen, vormt onvoldoende grond voor toewijzing van het primaire verzoek tot opheffing van de betreffende voorwaarde.
Wat betreft het subsidiaire verzoek, de verlenging van de proeftijd, ziet het hof in de aan dit verzoek ten grondslag gelegde onderbouwing evenmin aanleiding om tot toewijzing daarvan over te gaan. Verzoeker heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk de door hem genoemde vorderingen binnen afzienbare termijn kan innen. Voorts is met geen enkel stuk onderbouwd dat en wanneer hij met zijn nieuwe onderneming inkomsten gaat genereren.
Het hof betrekt in de beoordeling dat verzoeker tot op heden – zes jaren na het ten laste gelegde en bijna drie jaren na het wijzen van het arrest – slechts 1.500 euro heeft afbetaald.

BESLISSING

Het hof:
Wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. M.M. van der Nat en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 augustus 2019.
[…]