ECLI:NL:GHAMS:2019:3040
Gerechtshof Amsterdam
- Rekestprocedure
- A.E. Kleene-Krom
- M.M. van der Nat
- M. Senden
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing bijzondere voorwaarde en verlenging proeftijd na faillissement onderneming
Verzoeker is bij onherroepelijk arrest veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarde dat hij een bedrag van 182.500 euro aan een stichting moet vergoeden vóór het einde van de proeftijd.
Verzoeker verzocht primair om opheffing van deze bijzondere voorwaarde en subsidiair om verlenging van de proeftijd met 1 of 2 jaren, omdat zijn bedrijf failliet is gegaan en hij momenteel niet aan zijn betalingsverplichting kan voldoen. Hij stelde dat de toekomstperspectieven gunstig zijn door een nieuwe onderneming en vorderingen op derden.
De advocaat-generaal adviseerde afwijzing van het primaire verzoek en toewijzing van het subsidiaire verzoek tot verlenging met 1 jaar. De reclassering adviseerde verlenging met 1 jaar, terwijl de reclasseringswerker ter zitting een verlenging met 2 jaren aanraadde.
Het hof oordeelde dat de wens van verzoeker om van zijn betalingsverplichting te worden ontslagen onvoldoende grond is voor opheffing van de voorwaarde. Ook het subsidiaire verzoek tot verlenging van de proeftijd werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de inning van vorderingen en het genereren van inkomsten uit de nieuwe onderneming. Het hof nam mee dat verzoeker in bijna drie jaar slechts 1.500 euro heeft afbetaald.
Het hof wees het verzoek af en handhaafde de bijzondere voorwaarde en de proeftijd zoals oorspronkelijk opgelegd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing van de bijzondere voorwaarde en verlenging van de proeftijd af.