ECLI:NL:GHAMS:2019:3351
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Overname helft pand en onderneming na ontbinding vennootschap onder firma
In deze civiele zaak stond centraal of tussen appellant en geïntimeerde een overeenkomst was gesloten waarbij appellant de positie van de voormalige partner in een vennootschap onder firma (vof) zou overnemen, inclusief de helft van een pand en een wasserette. Na uitgebreid getuigenbewijs concludeerde het hof dat deze overeenkomst op 5 september 2013 tot stand was gekomen, waarbij de vof zou worden ontbonden en de activa en passiva aan geïntimeerde zouden worden toegedeeld.
Geïntimeerde voerde aan dat het hof ten onrechte het bewijs van appellant had aanvaard en dat de overeenkomst te onbepaald en onuitvoerbaar was. Het hof verwierp deze bezwaren, onder meer omdat het kadastrale uittreksel aantoonde dat geïntimeerde de enige eigenaar van het pand was en omdat de medewerking van derden niet noodzakelijk was voor de uitvoering.
Het hof veroordeelde geïntimeerde om binnen 14 dagen na storting van de overnamesom door appellant en onvoorwaardelijke instemming van de bank met de hypotheekovername, alle noodzakelijke handelingen te verrichten om de overeenkomst te effectueren. Bij nalatigheid treedt het arrest in de plaats van de leveringsakte en is een dwangsom opgelegd. Tevens werd geïntimeerde veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof verklaart dat een overeenkomst is gesloten en veroordeelt geïntimeerde tot medewerking aan de effectuering daarvan, met oplegging van dwangsommen bij nalatigheid.