Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen ouders over de omgangsregeling met hun drie jonge kinderen na echtscheiding. De vader verzocht om een zorgregeling waarin hij wekelijks omgang met de kinderen zou hebben, terwijl de moeder incidenteel hoger beroep instelde om het omgangsrecht van de vader voor minimaal drie jaar te ontzeggen.
De rechtbank had eerder het verzoek van de vader afgewezen. Het hof overwoog dat de vader meerdere kansen heeft gehad om contact met de kinderen op te bouwen, maar zich onbetrouwbaar heeft getoond door ruw gedrag, waaronder het bijten van een kind, en het niet nakomen van afspraken. De moeder maakte zich zorgen over de veiligheid en voorspelbaarheid van het contact.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde ontzegging van het omgangsrecht, maar vond drie jaar een rigoureuze termijn. Het hof oordeelde dat het omgangsrecht ontzegd moet worden omdat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de kinderen en het in strijd is met hun zwaarwegende belangen.
Het hof wees het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling af en ontzegde hem het recht op omgang voor drie jaar. Een raadsonderzoek werd niet noodzakelijk geacht. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof ontzegt de vader het recht op omgang met de kinderen voor drie jaar en wijst het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling af.