Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
perpetuatio fori.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2003 gehuwd en hebben twee kinderen geboren in 2007 en 2011. Na echtscheiding in 2014 ontstond een geschil over het gezag en de verblijfplaats van de kinderen. De moeder emigreerde in juni 2016 zonder toestemming met de kinderen naar Australië. De kinderen keerden eind september 2017 terug naar Nederland na een uitspraak van de Family Court of Australia.
De rechtbank Den Haag kende in februari 2017 het eenhoofdig gezag toe aan de vader, maar in juni 2018 zijn de kinderen weer naar de moeder in Australië verhuisd. De moeder werd bij de bestreden beschikking door de rechtbank Noord-Holland in 2019 het eenhoofdig gezag toegekend. De vader stelde hoger beroep in tegen deze beschikking en verzocht om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling.
Het hof oordeelt dat de gewone verblijfplaats van de kinderen sinds juni 2018 in Australië is, waar zij naar school gaan en een sociaal leven hebben opgebouwd. Gezien het feit dat Australië geen EU-lidstaat is maar wel partij bij het HKV 1996, is de Nederlandse rechter niet langer bevoegd om over het gezag en omgang te oordelen. Het hof verklaart zich daarom onbevoegd, waarbij de eerdere beschikking in eerste aanleg onverminderd van kracht blijft totdat Australische autoriteiten anders beslissen.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen sinds juni 2018 in Australië is.