ECLI:NL:GHAMS:2019:3397

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 september 2019
Publicatiedatum
20 september 2019
Zaaknummer
15-102307-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5, vierde lid, EVRMArt. 87, derde lid, SvArt. 67a, derde lid, Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen voorlopige hechtenis niet tijdig behandeld, enkele vaststelling voldoende

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland die het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis had afgewezen.

Het hof constateerde dat de behandeling van het hoger beroep langer dan gebruikelijk en wenselijk had geduurd, namelijk ruim acht weken na indiening, hetgeen niet voldoet aan het vereiste van 'speedy trial' zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid, EVRM en artikel 87, derde lid, Sv.

Desondanks oordeelde het hof dat deze schending niet zodanig was dat dit gevolgen moest hebben voor de voorlopige hechtenis, mede gelet op de aard van de verdenking en de belangenafweging tussen verdachte en maatschappij.

Het hof vernietigde de beslissing van de rechtbank en hief de voorlopige hechtenis op met ingang van de datum van de beschikking, maar volstond met een enkele vaststelling van de schending zonder verdere sancties.

De beschikking werd gegeven in raadkamer door de voorzitter en raadsheren, in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: De voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven na constatering van een niet tijdige behandeling van het hoger beroep.

Uitspraak

15-102307-19
GERECHTSHOF AMSTERDAM,
MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER
BESCHIKKINGin raadkamer op het hoger beroep in de zaak van
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans verblijvende in het huis van bewaring Justitieel Complex Zaanstad,
tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 15 juli 2019, houdende afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 15 juli 2019, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van die rechtbank.
Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte mr. P.M. Rombouts.

De beoordeling

Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep en de gronden waarop deze berust.
Het hof stelt vast dat de behandeling van het hoger beroep tegen het bevel gevangenhouding langer op zich heeft laten wachten dan te doen gebruikelijk is bij dit hof, en zeker langer dan wenselijk is. Het hoger beroep is op 15 juli 2019 ingesteld. Dat de behandeling van het hoger beroep daartegen pas ruim acht weken daarna heeft plaatsgevonden, acht het hof niet “speedily” als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of “zo spoedig mogelijk” als bedoeld in artikel 87, derde lid, Sv. Het hof stelt dan ook vast dat deze voorschriften zijn geschonden.
Het hof is echter van oordeel mede gezien de aard van de verdenking dat er geen sprake is van een zodanige schending dat dit in het kader van de voorlopige hechtenis, na afweging van het belang van de verdachte tegen dat van de maatschappij, consequenties zou moeten hebben en is van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling van die schending.
Het hof acht echter niet uitgesloten dat bij voortduring van de voorlopige hechtenis de in artikel 67a, derde lid, Sv genoemde mogelijkheid zich zal voordoen.

De beslissing

Het hof:
VERNIETIGT de beslissing waarvan beroep.
HEFT OP de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van
donderdag 12 september 2019.
15-102307-19
Deze beschikking is gegeven op 11 september 2019 in raadkamer van dit hof door
mr. J.L. Bruinsma, voorzitter,
mrs. M. Iedema en M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D. de Jong als griffier.
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.
Amsterdam, 11 september 2019,
de advocaat-generaal