Uitspraak
De feiten en de rechtsgang
De beoordeling
De beslissing
donderdag 12 september 2019.
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland die het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis had afgewezen.
Het hof constateerde dat de behandeling van het hoger beroep langer dan gebruikelijk en wenselijk had geduurd, namelijk ruim acht weken na indiening, hetgeen niet voldoet aan het vereiste van 'speedy trial' zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid, EVRM en artikel 87, derde lid, Sv.
Desondanks oordeelde het hof dat deze schending niet zodanig was dat dit gevolgen moest hebben voor de voorlopige hechtenis, mede gelet op de aard van de verdenking en de belangenafweging tussen verdachte en maatschappij.
Het hof vernietigde de beslissing van de rechtbank en hief de voorlopige hechtenis op met ingang van de datum van de beschikking, maar volstond met een enkele vaststelling van de schending zonder verdere sancties.
De beschikking werd gegeven in raadkamer door de voorzitter en raadsheren, in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: De voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven na constatering van een niet tijdige behandeling van het hoger beroep.