ECLI:NL:GHAMS:2019:3538
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kinderalimentatie na beëindiging relatie en wijziging draagkracht
Partijen hadden tot 2015 een relatie waaruit een minderjarig kind is geboren. Na beëindiging van de relatie ontstond een geschil over de hoogte van de kinderalimentatie die de man aan de vrouw moet betalen voor de verzorging en opvoeding van het kind.
De rechtbank had bepaald dat de man € 806 per maand aan kinderalimentatie moest betalen, maar de man ging hiertegen in hoger beroep. Het hof heeft de draagkracht van de man beoordeeld aan de hand van zijn netto besteedbaar inkomen, waarbij rekening is gehouden met zijn wisselende inkomsten en beperkte verdiencapaciteit. De vrouw stelde dat de man meer verdiende, maar het hof vond de door de man gegeven uitleg over bankmutaties aannemelijk.
Het hof stelde de draagkracht van de man vast op € 50 per maand, te verdelen over meerdere kinderen, waardoor voor het kind een draagkracht van € 25 per maand gold tot de geboorte van zijn jongste kind en daarna € 17 per maand. De vrouw had ook een minimale draagkracht van € 50 per maand. Gezien de gezamenlijke draagkracht werd de kinderalimentatie vastgesteld op € 25 per maand vanaf 24 juli 2018 en € 17 per maand vanaf de geboorte van het jongste kind in 2019. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover het hof hierover oordeelde.
Uitkomst: De kinderalimentatie is vastgesteld op € 25 per maand vanaf 24 juli 2018 en € 17 per maand vanaf de geboorte van het jongste kind in 2019.