Uitspraak
Procesgang
Onderzoek van de zaak
25 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Gerechtshof Amsterdam
Het openbaar ministerie had in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde een bedrag van €22.711 zou worden opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank had deze vordering toegewezen in combinatie met een veroordeling voor witwassen.
De veroordeelde stelde hoger beroep in tegen zowel de strafveroordeling als de ontnemingsvordering. Het gerechtshof sprak de veroordeelde bij arrest van 9 oktober 2019 vrij van het ten laste gelegde in de strafzaak. Hierdoor kon het openbaar ministerie niet ontvankelijk worden verklaard in de ontnemingsvordering.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De beslissing werd genomen na kennisname van de vordering van de advocaat-generaal en de verdediging, en na onderzoek van de zaak in hoger beroep.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege vrijspraak in de strafzaak.