ECLI:NL:GHAMS:2019:3763
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verdeling huwelijksgoederengemeenschap na korte huwelijkssluiting
Partijen zijn in 1997 in gemeenschap van goederen gehuwd en in 1998 gescheiden. In 2017 vordert de vrouw de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, met name een perceel in Suriname, omdat volgens haar de gemeenschap destijds niet is verdeeld.
De man stelt dat partijen destijds met gesloten beurzen hebben verdeeld, ondersteund door een verklaring van hun advocaat mr. Gahar, die stelt dat iedere partij de goederen behield die op haar naam stonden. De vrouw betwist dit en voert aan dat er geen schriftelijke verklaring is en dat de man het perceel mogelijk al voor het huwelijk heeft geveild.
De rechtbank wees de vordering af wegens rechtsverwerking, maar het hof bekrachtigt het vonnis op andere gronden. Het hof acht de stelling van de man aannemelijk en concludeert dat de huwelijksgoederengemeenschap reeds is verdeeld. De vordering van de vrouw wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De vordering tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.