De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor belastingfraude en valsheid in geschrift. Het hof Amsterdam behandelde het hoger beroep en vernietigde het vonnis voor wat betreft de strafoplegging en motivering, waarbij het de opgelegde straf verhoogde. De verdachte had tussen 2015 en 2016 opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting ingediend met fictieve bedragen, waardoor onterecht voorbelasting werd ontvangen. Tevens vervalste hij facturen die aan de Belastingdienst werden verstrekt.
Het hof nam het grootschalige karakter van de fraude mee in de strafmaat en oordeelde dat de verdachte puur uit financieel gewin handelde, waarbij het vertrouwen in het belastingsysteem werd misbruikt. Naast de gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, werd de verdachte ontzet van het recht om als bestuurder van een rechtspersoon op te treden voor drie jaar. Deze maatregel is bedoeld om herhaling te voorkomen.
De straf is gebaseerd op diverse artikelen uit het Wetboek van Strafrecht en de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het hof bevestigde verder het vonnis van de rechtbank, behalve ten aanzien van de straf en ontzetting. De verdachte was niet aanwezig bij het hoger beroep en werd verstek veroordeeld.