Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld voor het beledigen van een kinderrechter. De verdachte had de kinderrechter tijdens de zitting met zeer nare bewoordingen uitgescholden, wat niet alleen haar persoonlijk raakte maar ook haar gezag aantastte.
In eerste aanleg werd een werkstraf van 25 uur opgelegd, met een vervangende jeugddetentie van 12 dagen. De advocaat-generaal vorderde een lagere straf: een werkstraf van 15 uur, met 7 dagen jeugddetentie als vervanging. Het hof oordeelde dat gezien de ernst van het feit, de omstandigheden en de persoon van de verdachte, een werkstraf van 15 uur passend en geboden was.
Het hof nam daarbij de positieve ontwikkelingen van de verdachte mee, zoals het volgen van school, het zoeken naar een bijbaantje en sport, en het ontbreken van recente overlastsituaties. Ook werd het voornemen van de verdachte om een excuusbrief te schrijven aan de kinderrechter gewaardeerd. Het hof benadrukte echter dat deze ontwikkelingen nog pril zijn en dat het de vraag blijft of de verdachte gemotiveerd en vaardig genoeg is om deze voort te zetten.
Het vonnis van de kinderrechter werd bevestigd voor het overige, maar de strafoplegging werd vernietigd en opnieuw vastgesteld op een werkstraf van 15 uur, met een vervangende jeugddetentie van 7 dagen. Dit arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 10 oktober 2019.