De betrokkene, geboren in 1941 en opgenomen in een woonzorgcentrum, is onder bewind gesteld en heeft een mentor benoemd gekregen op verzoek van haar dochter. De betrokkene kwam in hoger beroep tegen deze beschikkingen, primair gericht op opheffing van de onderbewindstelling en subsidiair op benoeming van een andere bewindvoerder en mentor.
In hoger beroep werd niet langer betwist dat de onderbewindstelling en het mentorschap gegrond zijn. Wel werd de benoeming van de dochter als bewindvoerder en mentor betwist vanwege een conflictueuze samenwerking. Het hof stelde vast dat de samenwerking niet naar behoren verliep en besloot daarom een andere bewindvoerder en mentor te benoemen.
De betrokkene stelde enkele personen voor, maar deze werden afgewezen omdat zij onbekend waren of niet bereid waren tot benoeming. Ook het voorstel van de dochter werd afgewezen wegens bezwaren van de betrokkene. Het hof achtte het daarom passend een onafhankelijke professionele derde, Goedhart Amsterdam B.V., te benoemen. Zowel betrokkene als dochter werd verzocht zich schriftelijk uit te laten over deze voorgenomen benoeming.