Uitspraak
1.[A] ,
mr. R.H.G.M. Kerckhoffs, kantoorhoudende te Maastricht,
[C],
[D],
[E],
mr. Ph.W. Schreurs, kantoorhoudende te Eindhoven.
1.Het geding in hoger beroep
2.Beoordeling
dat de onderneming, te rekenen vanaf 1 juli 2014, twee jaar na het vertrek van [A] (en [H] ) weer op volle kracht zou moeten kunnen exploiteren c.q. hersteld moet zijn van het vertrek van [A] (en [H] )’ bij de waardering in aanmerking zou moeten worden genomen. De Ondernemingskamer daarentegen acht deze rechterlijke verwachting of veronderstelling, kennelijk afkomstig uit r.o. 4.9.3.4 van het arrest van dat hof van 27 december 2016, niet relevant voor het nu te bevelen onderzoek naar de waarde van de aandelen per 1 september 2019.