ECLI:NL:GHAMS:2019:4434
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.H.C. van Ginhoven
- A.M. Kengen
- L.I.M. van Bergen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke jeugddetentie na omzetting in werkstraf
In deze strafzaak is de veroordeelde bij arrest van 28 december 2017 veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie, waarvan 11 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De bijzondere voorwaarden betroffen onder meer het volgen van behandeling, onderwijs en het melden bij de jeugdbescherming.
De advocaat-generaal vorderde de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke 11 dagen jeugddetentie, omdat de veroordeelde de bijzondere voorwaarden niet zou hebben nageleefd. Het hof Amsterdam heeft de zaak behandeld en kennisgenomen van de stukken en de standpunten van de Raad voor de Kinderbescherming en de advocaat-generaal.
Het hof stelde vast dat het hof Den Haag bij arrest van 5 november 2019, onherroepelijk geworden op 20 november 2019, de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie had gelast, waarbij deze was omgezet in 22 uren werkstraf, subsidiair 11 dagen jeugddetentie. Op grond hiervan wees het hof Amsterdam de vordering tot tenuitvoerlegging af.
De beslissing werd genomen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 november 2019, waarbij één raadsheer niet kon ondertekenen.
Uitkomst: De vordering tot tenuitvoerlegging van 11 dagen voorwaardelijke jeugddetentie wordt afgewezen vanwege omzetting in werkstraf.