ECLI:NL:GHAMS:2019:4673

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 oktober 2019
Publicatiedatum
30 december 2019
Zaaknummer
23-001305-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 63 SrArt. 422 SvArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor invoer van ruim 24 kilogram methamfetamine op Schiphol

Op 9 december 2018 werd verdachte op Schiphol betrapt met een koffer waarin ruim 24 kilogram methamfetamine werd aangetroffen. Verdachte verklaarde dat hij een willekeurige koffer had gestolen zonder te weten wat erin zat, maar het hof achtte deze verklaring ongeloofwaardig vanwege zijn gerichte handelen en het vooraf kopen van een duur vliegticket.

Het hof baseerde zich onder meer op camerabeelden en het feit dat verdachte na een kort telefoongesprek direct een specifieke rode koffer van de bagageband pakte en hiermee wegliep. Dit gedrag paste niet bij het stelen van een willekeurige koffer. Het hof concludeerde dat verdachte wist dat de koffer harddrugs bevatte en veroordeelde hem voor het opzettelijk invoeren van methamfetamine.

De rechtbank had verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf, een straf die het hof in hoger beroep bevestigde. Het hof hield rekening met de grote hoeveelheid drugs, de bestemdheid voor handel, de maatschappelijke impact van harddrugs en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd en beperkte intellectuele vaardigheden.

Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd vanwege proceseconomische redenen en het hof deed opnieuw recht met een uitgebreide motivering. De opgelegde straf is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van het voorarrest.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor opzettelijke invoer van ruim 24 kilogram methamfetamine.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001305-19
datum uitspraak: 3 oktober 2019
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 maart 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-252178-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
adres: [adres],
thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 december 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (al dan niet als bedoeld in artikel 1 onder Pro 4 Opiumwet), in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine (chrystal meth), zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Hoewel het hof zich grotendeels kan vinden in het vonnis waarvan beroep, zal het hof dit vonnis om proceseconomische redenen vernietigen, nu bevestiging van het vonnis met aanvulling van gronden de leesbaarheid van de beslissingen en motiveringen van het hof niet ten goede komt.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte is naar Schiphol gegaan om een koffer te stelen in de hoop dat zich daarin een laptop of andere kostbare goederen zouden bevinden. Hij heeft een willekeurige koffer van een bagageband gepakt, zonder te weten dat daarin verdovende middelen zaten. Nu hij geen wetenschap had van de inhoud van de koffer kan niet worden bewezen dat hij (voorwaardelijk) opzet had op de invoer van de verdovende middelen.
Het hof overweegt als volgt.
Op 9 december 2018 te Schiphol is in de koffer die de verdachte bij zich had 24.709,3 gram methamfetamine (in de volksmond: crystal meth) aangetroffen. De vraag is of de verdachte een willekeurige koffer van de bagageband heeft gestolen en daarbij de ‘pech’ heeft gehad dat daarin crystal meth zat of dat hij wel degelijk wist dat zich in de koffer harddrugs bevonden. Om dat te beoordelen is het volgende van belang, waarbij het hof tevens acht heeft geslagen op hetgeen te zien is de camerabeelden van Schiphol.
Op Schiphol heeft de verdachte (op 9 december 2018) rond 07.28 uur voor € 160 een vliegticket naar Milaan gekocht. Daarna is hij, zonder bagage, naar de securityfilter gelopen. Rond 08.59 uur, dus anderhalf uur later, heeft de verdachte reclaimhal 4 betreden om vervolgens richting reclaimhal 3 te lopen. In deze hal heeft hij vijf minuten gewacht tussen bagageband 15 en 16. Op band 16 lagen meerdere koffers en stonden nauwelijks andere personen. Rond 09.05 uur is de verdachte gebeld door een onbekend gebleven nummer. Het telefoongesprek duurde 22 seconden. Daarna, rond 09.06 uur, is de verdachte met versnelde pas richting reclaimhal 4 gelopen. In deze hal is hij naar een rode koffer op bagageband 20 gelopen; voor de andere koffers op die bagageband had hij geen aandacht. Na de rode koffer van de band te hebben gepakt, heeft de verdachte zich hiermee ongeveer tien seconden bezig gehouden om er vervolgens mee weg te lopen.
In het licht van deze feiten en omstandigheden schuift het hof de verklaring van de verdachte, dat hij naar Schiphol is gegaan om een (willekeurige) koffer te stelen, als ongeloofwaardig terzijde. Het is zeer onaannemelijk dat de verdachte een relatief duur ticket (van € 160) zou aanschaffen zonder enige indicatie te hebben omtrent de inhoud van de door hem mee te nemen koffer. Voorts heeft de verdachte na het passeren van de securityfilter anderhalf uur gewacht alvorens reclaimhal 4 en vervolgens reclaimhal 3 te betreden, heeft hij bij bagageband 16 op geen enkele wijze blijk gegeven een koffer te willen stelen, is hij kort na een telefoontje met een onbekend gebleven nummer/persoon rechtstreeks richting de onderhavige koffer in reclaimhal 3 gelopen en is hij met deze koffer niet onmiddellijk weggegaan. Deze handelwijze past geenszins in de lezing van de verdachte. Het handelen van de verdachte is daarentegen naar het oordeel van het hof dermate doelgericht, dat het niet anders kan zijn dan dat hij wist dat zich daarin harddrugs bevonden. Het hof acht derhalve bewezen dat de verdachte de aangetroffen methamfetamine opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 december 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van ruim 24 kilogram methamfetamine. Gelet op deze hoeveelheid waren de verdovende middelen bestemd voor de handel. De verdachte heeft er blijk van gegeven zich niets gelegen te laten aan de zeer nadelige gevolgen van deze harddrug voor de gezondheid van de gebruikers daarvan. De verspreiding van en handel in harddrugs betekenen een bedreiging van de volksgezondheid, brengen onrust voor de samenleving met zich en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit. De ernst van het feit rechtvaardigt geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur.
Het hof heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) – die voor een misdrijf als het onderhavige een gevangenisstraf van (minimaal) 60 maanden noemen – maar ziet geen aanleiding, mede gelet op de relatief jonge leeftijd van de verdachte, zijn (beperkte) intellectuele vaardigheden, zijn rol als afhaler en de omstandigheid dat hij niet eerder voor een opiumwetdelict is veroordeeld, boven de eis van de advocaat-generaal uit te gaan.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. F.M.D. Aardema en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 oktober 2019.