Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
,ingekomen op 29 mei 2019;
,ingekomen op 29 mei 2019.
Gerechtshof Amsterdam
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die haar verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing met haar minderjarige dochter naar een andere woonplaats had afgewezen. De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit over het kind, dat bij de moeder woont. De moeder wil verhuizen vanwege haar nieuwe relatie en de onhoudbare woonsituatie bij haar ouders.
De vader verzet zich tegen de verhuizing vanwege de impact op zijn omgang met het kind, de afstand tot school en het sociale leven van de dochter. Hij vreest vermindering van zijn betrokkenheid en wil geen weekendvader worden. De moeder heeft een alternatieve zorgregeling voorgesteld om het contact te behouden.
Het hof overweegt dat de moeder de noodzaak van verhuizing voldoende heeft onderbouwd en dat het belang van het kind niet in de weg staat. De woonsituatie bij de grootouders is niet langer houdbaar en het kind is jong genoeg om zich aan te passen. Het belang van de moeder en het kind weegt zwaarder dan dat van de vader om dichtbij te blijven wonen.
Het hof verleent vervangende toestemming voor verhuizing in de kerstvakantie 2019/2020, wijzigt de zorgregeling zodat de vader drie weekenden per maand omgang heeft, en bepaalt dat de ouders in onderling overleg het kind inschrijven op een basisschool in de nieuwe woonplaats. Bij gebrek aan overeenstemming mag de moeder het kind inschrijven op een van twee genoemde scholen. Het verzoek van de vader tot wijziging van hoofdverblijfplaats wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof verleent de moeder vervangende toestemming om met de minderjarige te verhuizen en wijzigt de zorgregeling en schoolinschrijving.