De veroordeelde werd door de rechtbank Amsterdam veroordeeld wegens diefstal met braak in vereniging van kleding ter waarde van ongeveer €2.000,00. Tevens werd hem een ontnemingsvordering van €764,00 opgelegd. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld, maar in de strafzaak werd het hoger beroep ingetrokken.
In hoger beroep in de ontnemingszaak heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €2.000,00, gelijk aan de waarde genoemd in de aangifte en het vonnis. Het hof verwierp het verzoek van de verdediging om nader onderzoek te doen naar de verkoopwaarde van de kleding op de zwarte markt, omdat de veroordeelde geen verklaring gaf over de bestemming van de gestolen kleding.
Gezien het feit dat de diefstal door drie personen gezamenlijk werd gepleegd en de verdeling van de buit onbekend is, ging het hof uit van een gelijke verdeling en rekende het een derde van het totaalbedrag toe aan de veroordeelde, zijnde €666,65. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.