De verdachte reed met onverminderde snelheid een rotonde op en over zonder richting aan te geven en verleende geen voorrang aan een overstekende fietsster, wat leidde tot een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel voor het slachtoffer.
In hoger beroep werden verweren van de verdediging verworpen, waaronder het ontbreken van een causale relatie tussen gedragingen en ongeval en het bezwaar tegen dubbeltelling bij strafverzwarende feiten. Het hof oordeelde dat de gedragingen als een samenhangend geheel een zeer hoge mate van schuld vormen.
De rechtbank had een gevangenisstraf van 12 maanden en een rijontzegging van 4 jaar opgelegd; de advocaat-generaal eiste 15 maanden gevangenisstraf waarvan 5 voorwaardelijk. Het hof matigde de straf tot 8 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en handhaafde de rijontzegging van 4 jaar, mede gelet op de ernst van het letsel, de recidive en het beperkte inzicht van de verdachte.
Het hof wees toepassing van het adolescentenstrafrecht af vanwege de justitiële voorgeschiedenis en onvoldoende aanleiding voor uitzondering. Het verzoek tot aanhouding van het onderzoek voor het horen van deskundigen werd afgewezen. De gevolgen voor het slachtoffer en haar familie werden als uitzonderlijk ernstig beoordeeld.
Het hof achtte een werkstraf en kortere rijontzegging onvoldoende gezien de ernst van het feit. De straf is gebaseerd op de Wegenverkeerswet en het Wetboek van Strafrecht, met inachtneming van landelijke oriëntatiepunten en recidive.