ECLI:NL:GHAMS:2019:494
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig wegens ontbreken dringende reden; billijke vergoeding toegekend
De werknemer was sinds 2002 in dienst bij de werkgever en vervulde de functie van administratief medewerkster. In 2015 werd door een fout van een derde partij een bedrag van € 3.264,14 ten onrechte op de privébankrekening van de werknemer gestort, bedoeld voor de werkgever. De werkgever stelde de werknemer op non-actief en sprak op 30 december 2017 ontslag op staande voet uit wegens onrechtmatige toe-eigening en te kwader trouw achterhouden van gelden.
De kantonrechter oordeelde dat geen dringende reden voor ontslag op staande voet bestond en kende geen billijke vergoeding toe. Het hof bevestigde dat de dringende reden, bestaande uit twee gedragingen, niet geheel was komen vast te staan. De werknemer had niet onrechtmatig geld toegeëigend omdat niet was vastgesteld dat zij opdracht had gegeven tot de overboeking. Ook het achterhouden van het bedrag was niet voldoende voor een dringende reden.
Het hof vond echter dat de werknemer een eigen aandeel had in de situatie omdat zij het bedrag niet direct aan de werkgever had terugbetaald. Gezien de omstandigheden en het onterecht gegeven ontslag kende het hof een billijke vergoeding toe van € 5.363,68 bruto, gelijk aan vier maanden loon. De overige vorderingen bleven in stand en de kosten werden aan de werkgever opgelegd.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig en de werkgever moet een billijke vergoeding van € 5.363,68 bruto betalen.