De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk beledigen van een ambtenaar in functie, een wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, op 26 april 2018 te Rijsenhout. De beledigingen betroffen grove woorden die de eer en het gezag van de ambtenaar aantastten tijdens diens rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Het hof achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend en verwierp de overige tenlasteleggingen. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte werd bevestigd, zonder dat er omstandigheden waren die dit uitsloten.
De verdachte was eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten, waaronder een taakstraf binnen vijf jaar voorafgaand aan het onderhavige feit, waardoor het taakstrafverbod van artikel 22b lid 2 Sr van toepassing was. Gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn begeleiding door de reclassering en positieve gedragsontwikkeling, legde het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand op.
Daarnaast werd een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf van 20 dagen omgezet in een taakstraf van 40 uur, omdat de verdachte zich tijdens de proeftijd aan een strafbaar feit had schuldig gemaakt. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze strafoplegging.