Uitspraak
De feiten en de rechtsgang
.Het hof heeft voorts kennisgenomen van de stukken betrekking hebbend op de
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het verzoek van de verdachte tot schorsing van zijn voorlopige hechtenis. De verdachte stelde dat hij in detentie niet de benodigde psychische hulp ontvangt en dat deze hulp alleen buiten detentie mogelijk is. De raadsman voerde dit aan tijdens de raadkamerzitting op 6 februari 2019.
Het hof heeft de stukken, waaronder het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2018, bestudeerd en concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte psychisch of lichamelijk ongeschikt is voor detentie. Bovendien ontbrak een onderbouwing, zoals een brief van de inrichtingspsycholoog, die de stelling van de verdachte zou ondersteunen.
Daarnaast zijn er speciale maatregelen getroffen om de situatie van de verdachte te accommoderen. Het hof achtte deze maatregelen voldoende adequaat. Het belang van de verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis weegt niet op tegen het maatschappelijk belang om recidive te voorkomen. Daarom wees het hof het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis is afgewezen.