ECLI:NL:GHAMS:2019:705

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2019
Publicatiedatum
5 maart 2019
Zaaknummer
200.241.777/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:394 BWArt. 395a BWArt. 395b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake kinderalimentatie en vaststelling vaderschap met DNA-onderzoek

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de man de biologische vader is van de minderjarige en daarmee onderhoudsplichtig is. De rechtbank had een bijdrage in kinderalimentatie opgelegd, maar de man betwist het vaderschap en is in eerste aanleg verstek gegaan.

In hoger beroep heeft de man aangevoerd dat DNA-onderzoek noodzakelijk is om het vaderschap vast te stellen. De vrouw ontkent meerdere relaties te hebben gehad en is bereid tot DNA-onderzoek. Het hof acht het noodzakelijk eerst duidelijkheid te verkrijgen over het vaderschap.

Daarom beveelt het hof een deskundigenonderzoek door Verilabs aan en bepaalt dat de man het voorschot voor het onderzoek dient te betalen. De zaak wordt aangehouden tot ontvangst van het DNA-onderzoek en verdere beslissing.

Deze beschikking is op 26 februari 2019 door het Gerechtshof Amsterdam uitgesproken.

Uitkomst: Het hof beveelt een DNA-onderzoek aan om het vaderschap vast te stellen en houdt de zaak aan tot nadere beslissing.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie -en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.241.777/01
zaaknummer rechtbank: 638831/FA RK 17-7634
beschikking van de meervoudige kamer van 26 februari 2019 inzake
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. S. Verhagen te Hoofddorp,
en
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H. Plantenga te Amsterdam.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking(en) van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De man is op 20 juni 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 maart 2018.
2.2.
De vrouw heeft op 17 augustus 2018 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht aan de zijde van de man met de producties 3 tot en met 7, ingekomen op 25 januari 2019;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 31 januari 2019 met producties 8 tot en met 14, ingekomen op 31 januari 2019.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 11 februari 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1.
Op [geboortedatum] te [geboorteplaats] is geboren de minderjarige [zoon] (hierna: [de minderjarige] ). De vrouw is van rechtswege belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2.
De man is gehuwd met [X] (hierna: de echtgenote). De man en de echtgenote hebben twee kinderen.
3.3.
De vrouw huurt van de man een kamer aan de [adres] te [plaats] voor een bedrag van thans € 300,00 per maand.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 1 april 2017 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) zal betalen van € 400,00 per maand.
4.2.
De man verzoekt in hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek van de vrouw af te wijzen.
4.3.
De vrouw verzoekt, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Ingevolge artikel 1:394 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind dan wel, na het bereiken van de meerderjarigheid van het kind, tot het voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie overeenkomstig de artikelen 395a en 395b BW.
5.2.
De man heeft aangevoerd dat de rechtbank hem ten onrechte de verplichting tot betaling van kinderalimentatie heeft opgelegd. De man heeft in de procedure bij de rechtbank verstek laten gaan. De man betwist dat hij de biologische vader/verwekker van [de minderjarige] is. Hij heeft weliswaar gedurende een korte periode een seksuele relatie met de vrouw gehad, maar daarmee staat nog niet vast dat hij de verwekker van [de minderjarige] is. De vrouw heeft ook met andere mannen een seksuele relatie gehad in die periode. Volgens de man dient DNA-onderzoek uitsluitsel te geven. Indien komt vast te staan dat hij de biologische vader van [de minderjarige] is, dan is de man van mening dat de vrouw de behoefte van [de minderjarige] onvoldoende heeft onderbouwd en dat zijn draagkracht ontoereikend is voor de betaling van een bijdrage. Verder voert hij aan dat de kinderalimentatie ten onrechte met terugwerkende kracht is toegewezen.
5.3.
De vrouw betwist met meerdere mannen een seksuele relatie te hebben gehad ten tijde van de verwekking van [de minderjarige] . De vrouw is er zeker van dat de man de biologische vader van [de minderjarige] is. Op de door de vrouw in het geding gebrachte foto’s is te zien dat de man bij de bevalling aanwezig is geweest. Ook uit de omstandigheid dat [de minderjarige] een Turkse achternaam is, terwijl de vrouw afkomstig is uit Argentinië, is af te leiden dat de man de verwekker is. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij bereid is mee te werken aan een DNA-onderzoek. De vrouw betwist de stellingen van de man met betrekking tot de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van de man.
5.4.
In geschil tussen partijen is allereerst of de man de verwekker van [de minderjarige] is. Zoals ter zitting in hoger beroep besproken dient hierover eerst duidelijkheid te worden verkregen alvorens een beslissing te kunnen nemen of de man onderhoudsplichtig is. Het hof ziet daarom aanleiding een DNA-onderzoek te gelasten. Het hof zal een deskundige van Verilabs tot deskundige benoemen en het zal Verilabs op de hoogte brengen van de inhoud van deze beschikking.
Het hof ziet aanleiding te bepalen dat het voorschot van de deskundige ten laste van de man dient te komen. Bij eindbeslissing zal de daadwerkelijke kostenverdeling worden bepaald.
5.5.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof,
alvorens nader te beslissen:
beveelt een deskundigenonderzoek naar de vraag of de man de verwekker is van [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid;
benoemt tot deskundige (een deskundige werkzaam bij) Verilabs Laboratorium, Noothoven van Goorstraat 11-D 2806 RA te Gouda, Nederland;
bepaalt dat partijen hun medewerking aan het deskundigenonderzoek dienen te verlenen;
verzoekt de deskundige het resultaat van het onderzoek, uiterlijk voor na te melden pro forma datum, aan de griffie van het hof te doen toekomen, met vermelding van de kosten van het onderzoek;
bepaalt dat de deskundige, alvorens zijn benoeming te aanvaarden, van de griffier van het hof een voorschot voor honorarium en verschotten zal kunnen verlangen;
begroot dit voorschot op € 685,00 (ZESHONDERDVIJFENTACHTIG EURO);
bepaalt dat dit voorschot voorlopig ten laste komt van de man en dat deze dit voorschot dient te voldoen binnen twee weken na ontvangst van de na te noemen nota, als voorschot van de deskundige;
bepaalt dat de man van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een nota met betaalinstructies zal ontvangen;
bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek hoeft te beginnen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan Verilabs zal toezenden;
houdt de behandeling van de zaak
PRO FORMAaan tot
26 mei 2019;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. C.E. Buitendijk en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. I. Rijs als griffier en is op 26 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.