Het gerechtshof Amsterdam heeft op 14 februari 2020 het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en verdachte veroordeeld voor afpersing. Verdachte bedreigde het slachtoffer met een mesachtig voorwerp en eiste geld, dat het slachtoffer onder dwang afstond.
De rechtbank legde acht maanden gevangenisstraf op, het hof volgde het reclasseringsadvies en legde zes maanden gevangenisstraf op, rekening houdend met persoonlijke omstandigheden en recidive.
Het bewijs bestond uit verklaringen van het slachtoffer en een getuige, alsmede het aantreffen van vijftien euro en een zilverkleurige schaar bij verdachte. Het hof achtte het bewezen dat verdachte het geld onder bedreiging heeft afgenomen.
De verdachte heeft een langdurig patroon van vermogensdelicten om zijn harddrugsgebruik te bekostigen, waarbij eerdere hulpverlening niet tot gedragsverandering leidde. Daarom acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Daarnaast wordt de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag aan het slachtoffer gelast.