ECLI:NL:GHAMS:2020:1132
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schorsing voorlopige hechtenis wegens COVID-19 risico
De verdachte verzocht het gerechtshof om schorsing van zijn voorlopige hechtenis vanwege het risico op besmetting met het COVID-19 virus in de penitentiaire inrichting. De verdediging stelde dat de strafzaak vertraging zou oplopen door de pandemie en dat de gezondheid van de verdachte in gevaar zou zijn door onvoldoende beschermingsmaatregelen.
Het hof oordeelde dat de vertraging in de strafzaak op zichzelf geen zwaarwegend persoonlijk belang vormt dat schorsing rechtvaardigt. Ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals het risico het verlies van zijn huurwoning, wegen niet op tegen de maatschappelijke veiligheidsbelangen die de vrijheidsbeneming rechtvaardigen.
Ten aanzien van het gezondheidsrisico stelde het hof vast dat volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de staat een zorgplicht heeft om gedetineerden te beschermen tegen besmetting. Echter was onvoldoende onderbouwd dat de penitentiaire inrichting geen toereikende COVID-19 maatregelen heeft genomen. Daarom werd het verzoek tot schorsing afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van gezondheidsrisico en zwaardere maatschappelijke belangen.