In een familierechtelijke procedure over de zorgregeling tussen verzoekster en de man diende verzoekster een wrakingsverzoek in tegen drie raadsheren van het hof. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid vanwege het uitblijven van een reactie op verzoeken om een proces-verbaal en een nieuwe mondelinge behandeling, het niet verschijnen van de raadsheren bij de wrakingszittingen en een verzoek van de raadsheren om toekomstige wrakingsverzoeken niet in behandeling te nemen.
De raadsheren stelden dat het uitblijven van een proces-verbaal te wijten was aan de procedurele gang van zaken en logistieke redenen, en dat het wrakingsverzoek ongegrond was. De man ondersteunde dit standpunt.
De wrakingskamer oordeelde dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor partijdigheid of schijn daarvan. Het uitblijven van een reactie was niet onredelijk gezien de korte termijn tussen verzoeken en wrakingsverzoek. De beslissing over een nieuwe mondelinge behandeling kon geen wrakingsgrond vormen. Het verzoek van de raadsheren om toekomstige wrakingsverzoeken niet te behandelen was gemotiveerd en niet misbruikmakend.
Daarom wees de wrakingskamer het verzoek tot wraking af en ook het verzoek om toekomstige wrakingsverzoeken niet te behandelen. De beslissing werd op 17 februari 2020 openbaar uitgesproken door drie raadsheren van het hof.