ECLI:NL:GHAMS:2020:1222
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep verdeling huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding met discussie over schulden en sieraden
Partijen zijn in 1994 gehuwd in Irak en zijn in 2013 gescheiden, met ontbinding van het huwelijk in 2014. De vrouw vorderde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en betaling wegens overbedeling. De man stelde dat diverse schulden en een gouden riem in de verdeling moesten worden betrokken.
In hoger beroep betwistte de man onder meer de authenticiteit van zijn handtekening onder de referteverklaring, maar het hof oordeelde dat dit geen belang had omdat partijen de echtscheiding en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap als uitgangspunt namen. De man voerde aan dat verschillende leningen en schulden die hij had aangegaan in Irak in de verdeling moesten worden betrokken, maar het hof vond onvoldoende bewijs en aannemelijkheid voor deze schulden en hun aflossing.
De man stelde ook dat de waarde van sieraden, waaronder een gouden riem, niet in de verdeling was meegenomen. Het hof oordeelde dat de riem op de peildatum nog deel uitmaakte van de gemeenschap en kende de riem toe aan de vrouw met een verrekening van € 1.500,- aan overbedeling. De overige grieven van de man faalden. Het hof vernietigde het vonnis voor zover de gouden riem niet was toegedeeld en paste het bedrag van de overbedeling aan tot € 91.025,12, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 9 augustus 2017. De kosten werden gecompenseerd zodat ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van de man tot verdeling van de gouden riem toe en past het bedrag van overbedeling aan tot € 91.025,12 met wettelijke rente, bekrachtigt de overige vonnissen en compenseert de kosten.