In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de kinderrechter bevestigd dat verdachte samen met een medeverdachte een woninginbraak heeft gepleegd. Het hof baseert zich op diverse bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen, DNA-sporen van verdachte aangetroffen in de tuin van de woning, braaksporen bij het raam en de waarneming van verdachte en medeverdachte kort na de 112-melding.
De verdediging voerde aan dat medeplegen niet bewezen kon worden, maar het hof oordeelt dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking die neerkomt op gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit. De overige verweren van de verdediging zijn reeds door de kinderrechter weerlegd.
De benadeelde partij had een schadevergoeding van €510,- gevorderd, waarvan €250,- was toegewezen door de kinderrechter. Het hof vernietigt dit deel van het vonnis en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing en het risico op onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij wordt verwezen naar de burgerlijke rechter voor haar vordering.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en is uitgesproken op 23 januari 2020.